Op de opiniepagina van de Volkskrant schreef Hafid Bouazza een stuk over de aandachttrekkende moslima waarvan haar hoofddoek tussen de wielen van een kart kwam, en die een rechtszaak aanspande.
Het is een van die idiote zaken waarmee de Nederlandse rechters geconfronteerd worden sinds we de multiculturele maatschappij ingesteld hebben. Of; ‘we?’ Enfin. Zo was er ook de zaak met de moslimadvocaat die vond dat hij niet op moest staan voor een rechter.Die vond daar dit van en die dat en zo ging dat maar door. Je zou zeggen waar houden we ons allemaal toch mee bezig. Hebben we geen belangrijkere dingen te doen? Maar dat we ons ermee bezig houden is een feit. Sterker nog: We houden ons er obsessief mee bezig. Het is smullen voor de media, smullen voor de consumenten van het nieuws, en smullen voor de betreffende moslima’s en moslims die menen hiermee hun godsdienst nog eens extra op de kaart te moeten zetten. Zowel voor- als tegenstanders van de islam zien voordelen in dit soort nieuws, en dat maakt dat het telkens weer nieuws zal worden. Dingetjes met seks en BNers zijn leuk, maar dingetjes met moslims zijn nog veel leuker. Ook dat is een interessant gegeven voor advocaten, die zich met deze nieuws creërende zaken aan het werk kunnen houden.
In zijn opiniestuk doet Bouazza het voor alsof hij vreselijk moet lachen om dat gedoe met die kart en die hoofddoek en het feit dat hier sprake zou zijn van een ‘vrijgevochten moslima’, waarbij de grap nu juist is dat ze zich met die kennelijk zo vrijgevochten hoofddoek mooi stevig vastgedraaid had. Het scheelde niks of ze was erin gestikt. Dus niet vrijgevochten maar vastgedraaid.
Maar gaandeweg het stuk wordt steeds duidelijk dat dit geen normale lach meer is van Bouazza, die van dit lachen letterlijk het onderwerp van zijn stuk heeft gemaakt, maar een hysterische lach over de waanzin van de islam die leidt tot veel meer absurdisme en gruwelijkheden. Ja, het lachen vergaat je al snel als je de andere voorbeelden van Bouazza ziet over moslima’s die door de islam gemangeld zijn.
Het is de lach van de DADA artiesten toen de gruwelen van de Eerste Wereldoorlog naar buiten kwamen. Is deze spiegelende, waanzinnige lach ook een antwoord op de waanzin? Het is zeker geen bevrijdende lach, maar een woedende, die steeds meer woede genereert. Misschien is die woede bevrijdend, ik weet dat niet, want ook woede roept steeds maar weer meer woede op. Maar vaak is woede het enige dat rest. (Vergelijk het ook met de lach van schrijfster Caroline over het gedoe met de lokjoden in dit stuk)
Het is de humor van de Joden die de kampen overleefden: Bittere, bijtende humor. Of de humor van Theo van Gogh op zijn beurt over de heilig verklaring van het Joodse leed na de oorlog, dat voor hem niet minder verstikkend was.
Of diens humor over de geiteneukers.
O ja, die grappen van Theo, weet u nog. Daar keken we allemaal een beetje anders tegenaan toen die met die messen in zijn buik op straat lag.
Ja, beste mensen, humorrrr en horrorrrr! Het zit best dicht bij elkaar en de beste humor is die, waarbij je tegelijk schreeuwt van woede. Dat je dus niet zo goed meer weet of het wel zo gepast is dat je zo zit te lachen, ja, dat je je afvraagt waar je nu in godsnaam om zit te lachen, ja dat het eerder een soort wanhopig huilen lijkt.
Maar het is dus ook doodeng. Zie Theo. Vandaar dat er nauwelijks een Nederlandse cabaretier is die woedende grappen maakt over de islam. Ik weet wel hoe dat komt: Geen gevoel voor humor. Want gevoel voor humor is ook de wanhoop van de overmoed. En dus moed. Kijk, en moed, dat heeft Bouazza dus wel.
Reageren kan op artikel7.


