advertentie
logo
advertentie
Kabinetsrapport zegt: veroordeel Wilders

JOOST NIEMöLLER - 28 JANUARI 2010


Nu het adviesrapport aan het kabinet uit is, weten we dat de Volkskrant blunderde met zijn onthulling: Wilders is niet extreemrechts. Maar wie het rapport precies leest, ziet dat het vooral een advies is voor de rechter: Veroordeel Wilders.

Het is dus uit, het veel besproken onderzoeksrapport over de Polarisatie en radicalisering in Nederland, dat tegelijk een advies is aan het kabinet, door de vier wetenschappers Moors, Lenke Balogh, Van Donselaar en De Graaff.

 

Mediahype

Na lezing ervan is het eerste wat opvalt: Wat zat de Volkskrant ernaast! Die meldde eind vorig jaar dat in dit rapport beweerd zou worden dat Wilders ‘extreemrechts’ zou zijn. Welnu, het rapport is juist één grote analyse van het essentiële verschil dat er zou bestaan tussen ‘extreem-rechts’ en ‘nieuw rechts radicaal’. Ondanks alle andere geluiden hierover in de pers, waaruit dan weer verwarring zou blijken, wordt in het uitleggen van het verschil tussen deze twee zoveel energie gestoken, sterker nog, dit vormt de ruggengraat van het betoog, dat alle consternatie omtrent Wilders alszijnde  extreemrechts pure luchtbellerij gebleken is.

De Volkskrant vond het echter niet de moeite waard om sorry te zeggen over deze blunder, gebaseerd op een mogelijk lek of op een geruchtencircuit. In een nieuwsbericht van vandaag wordt slechts gesteld:

“Eind vorig jaar ontstond ophef over het rapport toen de Volkskrant meldde dat Binnenlandse Zaken conclusies over de PVV wilde afzwakken. De kwalificatie extreemrechts lag politiek gevoelig.”

Nou nee dus. In de Volkskrant had gestaan dat in het rapport stond dat Wilders extreemrechts was. Toch echt wel iets anders.

AMSTERDAM - De PVV van Geert Wilders is een extreem-rechtse partij die islamofobie en systeemhaat tegen de overheid mobiliseert. Daarmee ondermijnt zij de sociale cohesie en de democratie in het land. Dat stellen drie wetenschappers in een aan de Tweede Kamer beloofd onderzoek over radicalisering, dat in opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken is uitgevoerd .

Dit blijkt dus een canard. Tenzij er in anderhalve maand (de datering van het rapport is december 2009, iets waar GeenStijl erg complotterig over deed, maar wat gewoon op het voorblad staat) een compleet nieuw rapport uit de grond gestampt zou zijn. Dat ligt totaal niet voor de hand.

Tot zover de heisa in de media.

Het rapport zelf

Nu naar de inhoud van het rapport. De politieke vraag die hierbij speelt, en die ook direct door Wilders zelf werd opgeroepen, is in hoeverre dit rapport bij kan dragen tot de veroordeling van Wilders in het proces wat tegen hem gevoerd wordt. Met andere woorden: Is het adviesrapport aan het kabinet in feite een politieke zet om de rechter te beïnvloeden en Wilders te bestraffen?

Dat blijkt inderdaad het geval. Maar om dat aan te tonen moet een lange weg afgewandeld worden. Gelukkig korter dan de weg die de onderzoekers zelf meenden te moeten bewandelen, maar niettemin, fasten your seatbelts. We gaan over een rollercoaster het wordt een rough ride.

Er wordt, zoals gezegd in het rapport heel veel moeite gedaan om Wilders te onderscheiden van extreemrechts. Maar… Ook weer niet helemaal. Er zijn namelijk ook overlappingen. Zie bijvoorbeeld dit soepige citaat, waarbij de opstellers van het rapport zich met nadruk distantiëren van enig strafrechtelijk aspect. Maar.. ook weer niet helemaal. Want er ‘lijkt’ een discriminatoir aspect te zijn:

“De PVV en haar voorman Geert Wilders zijn – afhankelijk van de gekozen definitie -als rechts radicaal beschouwd, zij het dat aan deze kwalificatie nadrukkelijk mitsen en maren werden verbonden. De belangrijkste is dat de PVV in ideologisch opzicht niet over één kam kan worden geschoren met ‘raciale revolutionairen’ zoals neonazi’s. Van antisemitisme is bij de PVV geen spoor te bekennen. Ook dient te worden vermeld dat Wilders en de PVV zichzelf niet als extreemrechts beschouwen en zich van rechtsextremisme distantiëren. Voorts bevinden zich noch onder de oprichters van de PVV, noch onder de huidige Tweede Kamerfractie personen met een eerdere extreemrechtse ‘carrière’. Anders dan de ‘klassieke’ rechts radicale partijen of bewegingen komt de PVV niet voort uit een extreemrechtse traditie. Er is dus – net als bij de LPF / Leefbaarstroming – geen sprake van sociale genealogie. Ideologisch zijn er echter wel degelijk elementen van rechts radicaal (in casu ‘nationaaldemocratisch’) ideeëngoed aan te treffen bij de PVV, zoals een positieve oriëntatie op ‘het eigene’, een afkeer van ‘het vreemde’ en van politieke tegenstanders, en een hang naar het autoritaire. De afkeer van ‘het vreemde’ betreft vermeende ‘islamisering’, ‘niet westerse allochtonen’, en komt tot uitdrukking in een reeks van krachtige aanduidingen dienaangaande in het publieke debat. Deze uitingen, waarbij respectievelijk het criminaliseren, het aanbrengen van een maatschappelijke tweedeling of het uitsluiten van rechten belangrijke thema’s zijn, lijken een in strafrechtelijk opzicht discriminatoir karakter te hebben. Dienaangaande dient de rechter zich echter nog uit te spreken.”

Vervolgens gaat het in het rapport om twee belangrijke termen in verband met Wilders. Over ‘polarisatie’ en over ‘radicalisering.’ Er wordt gesteld dat er in de maatschappij sprake is van polarisatie, en dat Wilders daarin een belangrijke rol in speelt. Het lijkt me dat dat moeilijk ontkend kan worden. De vraag is dan weer; is dat van belang voor een rechter? Nu komt het rapport in drijfzand terecht. Een enerzijds-anderzijds gedoe waar je compleet zeeziek van wordt:

“In 2009 zijn de voedingsbodem en hiermee ook de verschijningsvormen van polarisatie in Nederland diverser geworden. ‘Polarisatie is terug van weggeweest’, stelde onlangs ook de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling. Bevolkingsgroepen ervaren verwijdering ten opzichte van elkaar, met name autochtone en islamitische allochtone groepen, ook al zijn er tegelijkertijd aanwijzingen dat deze groepen op het niveau van gedeelde waarden en wederzijdse verdraagzaamheid naar elkaar toegroeien. Ook het politieke debat is scherper geworden. Polarisatie is enerzijds een fundamenteel onderdeel van de democratische praxis. Polarisatie draagt bij aan de open dialoog waaraan ten principale iedereen kan meedoen. Anderzijds kan polarisatie die participatie en een open debat ook bedreigen als ‘de sfeer’ zodanig slecht en beladen wordt dat mensen niet meer durven meedoen. Het onderhavige rapport biedt diverse voorbeelden van situaties waarin dat in 2009 aan de orde is. Radicalisering volgt niet automatisch uit polarisatie. Maar polarisatie als een proces van (ervaren) verwijdering (discriminatie; stigmatisering) tussen (groepen) mensen kan individuen wel gevoelig maken voor radicalisering. Uit de bestudeerde ‘radicalismen’ rijst op hoofdlijnen het beeld van tegendraadse bewegingen.”

Met andere woorden: Het optreden van Wilders versterkt de polarisatie. Maar polarisatie kan niet direct als democratie ondermijnend, of maatschappij ondermijnend worden gezien, toch? Integendeel zelfs, toch? Nou, ook weer niet helemaal:

“In het Actieplan Polarisatie en Radicalisering 2007-2011 is polarisatie opgevat als ‘de verscherping van tegenstellingen tussen groepen in de samenleving die kan resulteren in spanningen tussen deze groepen en de toename van de segregatie langs etnische en religieuze lijnen.’”

En dit zou al zo zorgwekkend zijn in Nederland:

“In een in november 2009 gepubliceerde Eurobarometer scoorde Nederland eveneens het hoogst in de gepercipieerde omvang van etnische discriminatie op de arbeidsmarkt. Met tachtig procent vermeende discriminatie op etnische gronden (tegenover 61 procent voor de Europese Unie als geheel) voerde Nederland de Europese ranglijst aan (79 procent in 2008). Ook qua waargenomen discriminatie op de arbeidsmarkt scoorde Nederland beduidend hoger dan het Europees gemiddelde: negentien tegen twaalf procent. Ook bij gepercipieerde discriminatie op de arbeidsmarkt op geloofsgronden voerde Nederland de ranglijst aan, met 59 procent (een toename met vier procentpunt ten opzichte van 2008) tegenover een Europees gemiddelde van 39 procent (een afname met drie procentpunt). De waargenomen discriminatie op religieuze gronden was in Nederland het dubbele van de Europese Unie als geheel: tien procent versus vijf procent.”

Linke soep dus, die polarisatie, zou de rechter kunnen denken. Wilders zou namelijk best wel eens rekening moeten houden met de staat van het land. En die is al zorgwekkend genoeg. Of toch weer niet? Tja, hierna zet het rapport het pas echt op een zwalken aangaande deze polarisatie, eindigend in een moemakende reeks vragen:

“Dat brengt ons bij de vraag of polarisatie als zodanig schadelijk is. Dat is volgens de Nederlandse overheid niet noodzakelijk het geval. In de Trendanalyse 2008 werd gesteld dat tolerantie en vertrouwen in de samenleving de uitkomst kunnen zijn ‘zelfs van polarisatie. Dit kabinet gelooft in het open maatschappelijke debat met ruimte voor tegengestelde en soms zelfs onverenigbare standpunten. Polarisatie in deze zin maakt posities helder en bespreekbaar (…). Daarnaast is een zekere mate van polarisatie vaak een noodzakelijke stap in het emancipatieproces van bepaalde maatschappelijke groeperingen. Polarisatie is volgens de Nederlandse overheid dus een deel)proces waarbij meningen stevig met elkaar mogen botsen en onverenigbaar zijn. Ongewenst werd in de Trendanalyse 2008 die polarisatie genoemd waarbij tendensen van segregatie en spanningen tussen etnische en religieuze bevolkingsgroepen belemmeringen opwerpen voor ontmoeting en debat. Anders gezegd, met de titel van een publicatie van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling uit 2009 over het onderwerp ‘polarisatie’: polarisatie is bedreigend en verrijkend. Ook de Raad ziet een nuttige functie weggelegd voor polarisatie als ‘een manier om productief om te gaan met meningsverschillen. Polariseren leidt in dit perspectief tot beter wederzijds begrip en kan bijdragen aan identificatie met de eigen groep, participatie en stabiliteit. Polarisatie kan dus zowel blijken uit het elkaar de rug toekeren (segregatie, wat ongewenst wordt geacht) als het aangaan van een confrontatie anders dan met (geweld)  daden (spanningen, botsingen, die tot op zekere hoogte niet schadelijk hoeven te zijn, maar juist tot verheldering en emancipatie kunnen leiden). Tal van wetenschappelijke studies geven evenwel aan dat tegenstellingen over belangen en vooral confrontaties over ideologieën gemakkelijk kunnen ontaarden in ondermijning van de sociale vrede en harmonie en daardoor uitmonden in (gewelddadige) conflicten. Om te voorkomen dat polarisatie in gunstige zin uitmondt in polarisatie die tot geweld leidt moet het proces van polarisatie, het debat over de tegenstellingen, in goede banen worden geleid. Dit roept de vraag op: Wie is bij het huidige gepolariseerde debat in Nederland de normsteller? Anders gezegd: wie bepaalt of het debat nog binnen de veilige grenzen blijft, dat er sprake is van ‘een beheersbare politieke polarisatie’, ‘een verantwoorde vorm van polarisatie’ en ‘polarisatie binnen de grenzen van de democratische rechtsorde’ Is dat de overheid? Of moeten dat de participanten aan het debat zelf zijn? Of eventueel andere actoren, zoals de rechterlijke macht?”

Een knappe rechter die daar worst van kan maken denk je op dit punt aangekomen. Maar vele bladzijden verder valt er in het rapport weldegelijk een serieus argument te ontwaren waarom de polariserende wijze van politiek voeren van Wilders zou kunnen leiden tot een vorm van ontregeling waarbij bijvoorbeeld de AIVD betrokken raakt Niet direct de ‘rechtsorde’, maar wel de ‘open samenleving’ zou namelijk geschaad kunnen worden door Wilders:

“Tegelijk geldt dat hoe meer zich een collectieve identiteit ontwikkelt, bijvoorbeeld als gevolg van polarisatie, des te eerder het gevoel ontstaat hetzij bedreigd te zijn, hetzij superieur te zijn, zowel bij de minderheid als bij de meerderheid. En in al die gevallen groeit de bereidheid geweld te gebruiken jegens anderen. Hoe meer een partij zich namelijk bedreigd voelt, des te meer hij de andere partij als immoreel en inferieur zal beschouwen, waardoor de neiging ontstaat het conflict te beslechten door te forceren en vechten. Dat leidt vervolgens tot verdergaande polarisatie en aldus ontstaat een escalatiecyclus. En sterker nog: door bewust te polariseren kunnen politici en andereopinieleiders burgers doen radicaliseren.

‘De AIVD hanteert in de duiding van onderzoeksonderwerpen de termen “extreem” en “extremistisch”. Met de aanduiding “extreem” worden daarbij personen en groeperingen bedoeld die opereren op de grens van, maar nog steeds binnen het bestaande politieke spectrum en de grenzen van de democratische rechtsorde. De toevoeging “extremistisch” duidt op een beweging die over die grens gaat waarbij men bijvoorbeeld geweld toepast om doelen te realiseren of zich bedient van haatzaaiende teksten.’ Dan de democratische rechtsorde als uitgangspunt. Voordeel van een benadering waarin de democratische rechtsorde centraal staat is dat bedreiging daarvan door verschillende vormen van extremismen uitgangspunt wordt en daardoor andere problemen, zoals die van de links-rechts scheidslijn mogelijk enigszins kunnen worden ondervangen. Maar dan zal de democratische rechtsorde wel moeten worden afgebakend. En daar ligt een probleem (zie ook paragraaf 3.2.1). In het jaarverslag van de AIVD wordt niet uiteengezet wat onder ‘de democratische rechtsorde’ moet worden verstaan. Dit lijkt vreemd, maar ligt wel in het verlengde van de wettelijke grondslag van de AIVD, de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, waarin evenmin een definitie van ‘de democratische rechtsorde’ is vastgelegd. In enkele publicaties van de dienst wordt echter wel ingegaan op de democratische rechtsorde, zoals in Radicale dawa in verandering. Hierin wordt betoogd dat de democratische rechtsorde gebaseerd zou zijn op twee dimensies, de ‘democratische rechtsstaat’ en de ‘open samenleving’. De democratische rechtstaat, zo wordt gesteld, is gebaseerd op ‘(..) voornamelijk (maar niet volledig) in wetten neergelegde principes, procedures en instituties zoals de scheiding der machten, grondrechten zoals het gelijkheidsbeginsel, vrijheid van meningsuiting en vrijheid van godsdienst(…)’ Dan de open samenleving. Volgens de AIVD gaat het hierbij om: (…) het geheel van niet in wetten vastgelegde condities voor een democratische rechtsorde. Een democratische rechtsorde vereist meer dan dat de burgers alleen de principes en procedures van de democratische rechtsstaat formeel erkennen en naleven. De democratische rechtsorde kan niet meer (goed) functioneren wanneer een aantal (niet of moeilijk in rechtsregels te vatten) condities niet of nauwelijks aanwezig is. Een democratische rechtsorde vraagt namelijk een zekere mate van maatschappelijk vertrouwen, sociale cohesie, solidariteit, actief burgerschap en loyaliteit. Hierbij staat een aantal waarden en normen centraal, zoals het respect voor het open karakter van de samenleving, respect voor pluriformiteit en diversiteit in de samenleving (…)’.

Aldus het betoog van de AIVD over de democratische rechtsorde. De ruime afbakening van democratische rechtsorde leidt tot vragen naar de praktische toepassing ervan. Zo komen pleidooien tot aantasting van grondrechten in beeld, zoals destijds de suggestie van Fortuyn om het non-discriminatiebeginsel uit de grondwet te halen. Deze lijn kan worden doorgetrokken naar Wilders en de PVV wegens soortgelijke positionering en wegens het zich bedienen van haatzaaiende teksten (zoals overwogen door het Amsterdamse Gerechtshof bij zijn uitspraak over het seponeren van aanklachten tegen Wilders). Voorts zou ook een deel van de protestants-christelijke orthodoxie binnen het bereik van de definitie komen, met name daar waar men gelijke behandeling van vrouwen geweld aandoet. Ondanks spanning met ‘de democratische rechtsorde’ dan wel het zich bedienen van haatzaaiende teksten lijkt de rijksoverheid vooralsnog niet genegen om Wilders en de PVV te kwalificeren als ‘extremistisch’ en dat geldt evenzeer voor genoemde protestants-christelijke orthodoxie. Een dergelijke aanpak, strijdig met de eigen definities, heeft geen wetenschappelijke ratio en valt vanuit een wetenschappelijk perspectief niet goed te begrijpen.”

 

Voila. De afmaker.

Met andere woorden: De onderzoekers bepleiten een strengere aanpak van Wilders, en dat is dus een rechtstreekse bedreiging voor Wilders in het nu tegen hem gevoerde proces. De onderzoekers vinden met zoveel woorden de overheid nu nog te soft tegenover Wilders. Een rechter zou hier verandering in moeten brengen. Kortom: Wilders heeft dankzij dit rapport weldegelijk iets te vrezen.

De bankschroef wordt voor Wilders trouwens nog verder aangedraaid door de opstellers van het rapport. Anders dan het OM aanvankelijk vond, is het voor de onderzoekers duidelijk dat er bij de uitspraken van Wilders sprake kan zijn van discriminatie. En dan zou Wilders dus strafbaar kunnen zijn. Een duidelijke hint voor de rechter, die bij zijn uitspraak goed zou kunnen verwijzen naar onderstaande passage:

“Dan de tweede hoofdvraag uit het monitoronderzoek naar de PVV: in hoeverre hebben uitingen van de PVV een discriminatoir karakter? Davidovic et al. gaan uitvoerig in op de vraag in hoeverre uitingen van de PVV in de context van de wettelijke discriminatieverboden een discriminatoir karakter hebben en op het vervolgingsbeleid van het Openbaar Ministerie. Zij stellen vast dat noch de juridische literatuur, noch de jurisprudentie eenduidig is. Veel hangt af van de specifieke omstandigheden van het geval en die, zo wordt betoogd, vragen om een oordeel van een rechter. De onderzoekers hebben getracht de uitlatingen van Wilders in een bredere context te plaatsen en te vergelijken met recente arresten. Daaruit blijkt dat ook politici niet gevrijwaard zijn van veroordelingen als zij hun politieke idealen verwoorden. Deze lijn is overigens ook terug te vinden bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Wilders maakt gebruik van uitingen waarbij respectievelijk het criminaliseren, het aanbrengen van een maatschappelijke tweedeling of het uitsluiten van rechten belangrijke thema’s zijn. De monitoronderzoekers wijzen er op dat juist deze thema’s tot strafrechtelijke veroordelingen hebben geleid. In de afweging van het Openbaar Ministerie tot het al dan niet vervolgen is het aspect dat er ook sprake kan zijn van discriminatie op grond van ras geheel buiten beschouwing gelaten. Davidovic et al. Menen dat Wilders de lijn van religie naar cultuur moeiteloos doortrekt en wijzen erop dat in recente uitspraken van de Hoge Raad deze meervoudigheid bij achterstelling van moslims juist in de overwegingen is betrokken. Reden te meer, zo besluiten zij, dat een rechter zich ten volle over de mogelijke strafwaardigheid van de uitlatingen uitspreekt: niet justitie dient te oordelen, maar de onafhankelijke rechter.”

Hier kan de rechter vast wel iets mee. Wilders veroordelen namelijk.

Reageren kan op: www.joostniemoller.com