advertentie
logo
advertentie
Hoe snel zal Nederland islamiseren? (3)

ENCINA NAVAN - 20 JUNI 2009


De invloed van islam afleiden uit het percentage moslims in Nederland is misleidend. Islam betekent het uitbreiden van de invloed van godsdienst over andere sferen van het leven – dat is de ware betekenis van ‘overgave aan god’. De islamitische landen tonen aan dat islam zo werkt en dat ook Europa onvermijdelijk die invloed zal gaan voelen. Bovendien is er een studie die aantoont dat islamisering ook vroeger heeft plaatsgevonden op de manier zoals nu in Europa gebeurt.


  
(vervolg van deel 2)
 
Historicus Richard Bulliet (geb. 1940) heeft zich gespecialiseerd in de geschiedenis van de islam en publiceerde in 1979 de studie Conversion to islam in the Medieval Period. In dit werk beschrijft hij de manier en de snelheid waarmee de oorspronkelijke bevolking van de door de Arabieren veroverde gebieden overging tot de islam.
 
In alle gebieden die Bulliet bestudeerd heeft – Egypte, Irak, Syrië en Iran – blijkt dat de overgang tot islam op dezelfde manier verloopt, waarbij Iran duidelijk de koploper is. De eerste groepen bekeren zich tussen 50 en 100 na de verovering tot de islam. Deze groepen bestaan uit mobiele beroepen als handelaar of mensen die om een of andere reden kans zien om naar de steden te trekken, waar de Arabieren hun machtscentra gevestigd hebben en waar de sociale controle van de voormalige geloofsgenoten minimaal is. Dit uitte zich ondermeer in het geven van bijbelse namen aan kinderen, omdat die zowel binnen de joodse, christelijke en islamitische beleving ‘correct’ waren.
In de eeuw daarna volgt geleidelijk aan de middenmoot van de populatie. Uiteindelijk was rond het jaar 900 de helft van de bevolking moslim geworden. Na 1200 waren er nog nauwelijks joden of christenen in de islamitische gebieden. Dit patroon wordt bevestigd door studies van de ontwikkelingen in Spanje.
 
In deze tijd vormden de Arabieren de toplaag van de bevolking en deden ze geen enkele moeite om bekering tot islam aan te moedigen. In deze fase was islam (in die periode meestal hagarisme genoemd) alleen bestemd voor Arabieren en was een ideologie die tot doel had de eenheid onder de Arabieren te bewaren en hun elitaire positie te beschermen.
 
Op het eerste gezicht gaat een vergelijking tussen de positie van moslims ruim duizend jaar geleden en de moslims in Europa tegenwoordig niet op. De Europeaan van de 21ste eeuw zal zich niet tot islam bekeren om daarmee bij de elite te behoren of om andere voordelen te behalen, zoals het ontwijken van belasting.
 
Zoals betoogd in deel 2, speelt de sociaal-economische positie van moslims nauwelijks een rol in het geheel. Hier is werkzaam het Thomas-theorema: indien een werkelijkheid als echt beleefd wordt, zullen de gevolgen daarvan ook gevolgen hebben voor de empirische wereld – ook als de verschillen tussen beleefde werkelijkheid en empirie bijzonder groot lijken.
 
Dit betekent dat als moslims menen dat islam in de toekomst Europa en vervolgens de wereld zal beheersen, dat er een kalifaat zal ontstaan en dat hen een grote beloning wacht indien ze geduldig werken aan deze toekomst, dan zal hun handelen dienovereenkomstig zijn. Het is dus irrelevant om te constateren dat ze verdeeld zijn of geen machtspositie hebben, zolang hun innerlijke motivatie in grote lijnen in dezelfde richting wijst.
Er ontstaat op deze manier een spontane organisatie op dezelfde manier als in het wegverkeer plaatsvindt. De deelnemers aan het wegverkeer hebben geen weet van bedoelingen en belangen van de andere deelnemers, maar ze hebben wel allemaal een algemeen doel gemeen, namelijk op de plaats van bestemming aankomen en daar iets doen. Hierdoor ontstaat een patroon dat lijkt op samenwerking, zonder dat daar een formele organisatie voor nodig is.
 
De grote drijvende kracht hierachter is de cognitieve dissonantie. Elke moslim zal een grotere cognitieve dissonantie (innerlijke onvrede) beleven in betrekking tot het westen dan met een (groot deel van) de andere moslims. Zolang er vanuit de westerse samenleving geen assimilerende druk plaatsvindt die kan bereiken dat de cognitieve dissonantie van moslims ten aanzien van andere moslims groter is dan de cognitieve dissonantie ten aanzien van het westen, zal de moslim ertoe neigen om zich aan te sluiten bij andere moslims en daarmee een aanzet maken tot islamisering en een parallelle samenleving.
 
De historicus Hamid Enayat ontleende het volgende citaat aan islamoloog Gibb: “The very basis of Sunni political thought excludes the acceptance of any other theory [dan het kalifaat] as definitive and final. What it lays down is a principle: that the caliphate is that form of government which safeguards the ordinances of the Sharia and sees that they are put in practice.” [1]
Dit gegeven heeft het politieke denken van moslims vanaf 1924, toen het kalifaat door Ataturk werd afgeschaft, in grote mate beheerst. Voor de Moslimbroederschap is het een centraal punt. Moderne denkers als Abd ar-Raziq die het kalifaat als een verouderde instelling zagen die niet voortvloeit uit de koran, kregen enorme problemen.
De kalief moet de handhaving van de sharia garanderen, zodat moslims op een islamitische manier kunnen leven. Het percentage moslims onder een dergelijk bewind is een minder belangrijk gegeven dan het doen accepteren van islamitische gebruiken en de sharia door de niet-moslims.
 
En dit laatste proces is, zoals we elke dag om ons heen zien, in volle gang.
 
 
 
 
[1] H. Enayat, Modern Islamic political thought, 1982, ISBN 1850434654, p. 14.
Lees een bespreking van dit boek bij Ma rtin Kramer.