advertentie
logo
advertentie
Van Donselaar en het misbruik van de wetenschap

ENCINA NAVAN - 12 DECEMBER 2008


Hoe een gesubsidieerde 'wetenschapper' zijn broodheer behaagt met politiek correcte wetenschap.

 
Jaapvan Van Donselaar is cultureel antropoloog (ook wel volkenkunde of etnologie genoemd) en bestudeert extreem-rechts in Nederland. Een merkwaardige combinatie, want culturele antropologie bestudeert doorgaans de cultuur van niet-westerse volken. Van Donselaar bestudeert echter alleen extreem-rechts in Nederland.
 
Het is echter de vraag of we Van Donselaar wel een wetenschapper mogen noemen. De eigen mening van de wetenschapper mag geen rol spelen, de studie moet waardevrij zijn.
 
Met dit in gedachten is het de moeite waarde om de cv van Van Donselaar eens kritisch tegen het licht te houden. Van Donselaar is universitair hoofddocent in Leiden in de sectie Bestuurskunde. Het is moeilijk te begrijpen in hoeverre zo een functie voorbereidt op studie van extreem-rechts.  Van 1981 tot 1992 was hij verbonden aan een adviescommissie voor het Minderhedenbeleid. Deze adviescommissie concludeerde elk jaar dat het Minderhedenbeleid mislukt was (inderdaad, maar dat wist half Nederland ook zonder studie) om vervolgens weer om meer geld te bedelen met het doel het mislukte beleid voort te zetten. Maar na bewezen te hebben dat hij voldoende ingewerkt was als regeringspapegaai, mocht Van Donselaar een andere klus oppakken.
 
In 1990 had de CD immers zetels behaald in diverse gemeenten en de Tweede Kamer en dat was aanleiding om Van Donselaar op het onderwerp extreem-rechts te zetten. Als onafhankelijk onderzoeker, dat spreekt vanzelf. Vanaf 1991 publiceert Van Donselaar een aantal rapporten. Na de groei van de CD in 1994 begon Van Donselaar in 1996 met de Monitor, een jaarlijks rapport over de situatie van extreem-rechts in Nederland. In 2000 werd hij betrokken bij de oprichting van de Europese monitor.
 
Van Donselaar werkt sinds begin jaren negentig nauw samen met de Anne Frank Stichting, die het onderduikadres van de joodse Anne Frank gebruikt om de multiculturele samenleving te promoten. De Anne Frankstichting (ook bekend als AFstichting) werd in de jaren ’80 een crypto communistische organisatie genoemd door een lid van de regering, die dat vervolgens moest terugnemen. De publicaties van de AFstichting liegen er niet om. Er kan geen enkele twijfel over bestaan dat de AFstichting een extreem-linkse organisatie is, waarvan de doelen veel verder gaan dan bestrijding van antisemitisme. Wie  daarmee samenwerkt, heeft afstand gedaan van elke objectiviteit.
 
Donselaar heeft niet alleen bedenkelijke vrienden, maar ook bedenkelijke methoden. Op diverse fora schijnt hij onder pseudoniemen actief te zijn in de ijdele hoop informatie los te weken. Een beetje suf natuurlijk, maar ook vooral methodologisch volstrekt onverantwoord.
 
Het derde punt dat Van Donselaar tegen heeft, zijn de medewerkers. Zijn partner Carien Nelissen, ook antropoloog, schrijft mee in de eerste twee jaargangen van de Monitor (1997 en 1998), want links lullen, links zakken vullen gaat met zijn tweeën nog sneller. In 1981 hadden ze samen al een ‘antropologische’ studie over de Nederlandse Volksunie verricht.
Kortom, het soort mensen dat overal een potje heeft en toch altijd volhoudt dat ze onafhankelijk oordelen.
 
Het vierde punt dat tegen Van Donselaar pleit is misschien wel het meest dodelijke. Op radio en tv verkondigt hij dat drie elementen in de PVV duiden op een extreem-rechtse ideologie:
1 – het trots zijn op het eigene, het Nederlandse
2 – afkeer van het vreemde, van politieke tegenstanders, van de gevestigde politiek in het algemeen
3 – een hang naar het autoritaire (bron: Monitor Racisme & Extremisme 2008, 170)
 
Deze ‘kenmerken’ zijn kenmerken van elke belangengroep. Want ieder mens streeft handhaving van het eigene na, en zonder trots is het moeilijk om een bepaalde beleving daarbij te hebben. Van Donselaar zegt hier dus eigenlijk dat iedereen met een cultuur (en dat is iedereen) per definitie neigt tot extreem-rechts gedrag wanneer hij wordt geconfronteerd met afwijkende ideeën. Dit is een perfecte manier van Van Donselaar om altijd gelijk te krijgen: als je van zijn analyse afwijkt ben je extreem-rechts (en bijna niemand wil zo genoemd worden), als je het met hem eens bent, moet je zijn visie delen.
Het venijn zit in het woordje ‘afkeer’. Van Donselaar laat in het vage hoe diep afkeer moet gaan om extreem-rechts genoemd te worden. Hij geeft wel een soort uitleg, maar dat is eigenlijk een rechtvaardiging van de door hem gekozen methodiek.
 
Van Donselaar legt de positie van de PVV namelijk uit vanuit een zelfgekozen methode met slechts twee begrippen, namelijk nationaaldemocraten en raciaalrevolutionairen (p. 171). De laatste groep is volgens Van Donselaar de harde kern van extreem rechts. Ze willen de vereniging van Nederland en Vlaanderen, wijzen de komst van alle vreemdelingen af, dus ook westerse en wijzen geweld niet bij voorbaat af, omdat ze het systeem als fundamenteel verkeerd zien. Bij de nationaaldemocraten liggen de grenzen anders: deze groep is alleen tegen de komst van niet-westerse vreemdelingen en is niet bij voorbaat bereidt om geweld te gebruiken. Na deze introductie geeft Van Donselaar aan dat de sociale werkelijkheid gecompliceerder ligt (p. 173), een wetenschappelijk cliché om aan te geven dat men geen verantwoordelijkheid neemt voor de fouten in de beeldvorming die het gevolg zijn van verkeerde methodiek.
 
Want deze methodiek berust niet op waarneming en vervolgens het onderbrengen in neutrale categorieën. Er wordt een begrippenapparaat gekozen dat altijd extreem-rechts als uitkomst heeft, dus de uitkomst van de vergelijking staat van voren vast. Elke partij in Nederland wordt geacht Nederlandse belangen te vertegenwoordigen en kan dus kenmerk (1) aan zijn broek krijgen. Er kan niet bijvoorbeeld een derde categorie uitkomen en er kan ook niet uitkomen dat PVV niet valt binnen de twee gekozen categorieën, omdat die zo wijd gekozen dat bijna alles er binnen valt. Ook Groen Links want GL ziet zichzelf als vertegenwoordiger van typisch Nederlandse waarden (tolerant, gastvrij, solidair met de hele wereld, kosmopoliet), is afkerig van het vreemde (ze zien immers de VS en partijen als PVV en VVD als ideologische vijanden, niet ´typisch´ Nederlands) en zijn autoritair (zij hebben gelijk, want ze doorzien het hele wereldsysteem en mensen met een andere mening zijn misleide stumpers of gewoon slecht). Dit bizarre resultaat is het gevolg van de pseudo-wetenschap van Van Donselaar. Het demarcatiecriterium in zijn ‘categorieën’ is zodanig gekozen, dat in onderzochte object altijd de gezochte eigenschapen aanwezig zijn.
 
De uitwerking die Van Donselaar geeft van de ‘categorieën’ lijken de twee begrippen verder in te vullen, maar zijn alleen beschrijvingen op basis van vorige onderzochte gevallen en geen abstracte kenmerken. Er ontbreekt een waardenschaal die ook aangeeft welke andere waarden mogelijk zijn. Concreet, op welke manier kan men trots zijn op eigen waarden (criterium 1) en tegelijk niet autoritair zijn (criterium 3)?
 
Een nadere beschouwing van de uitleg die Van Donselaar geeft van ‘afkeer van het vreemde’ op p. 173 en verder. Hij geeft eerst een aantal voorbeelden van standpunten en uitspraken van de PVV, waarbij hij vooral het element ‘stop islamisering’ naar voren haalt. Van Donselaar stelt vast: “Het ‘vreemde’ waar de PVV zich tegen afzet is primair [islamisering], maar niet uitsluitend ‘islamisering’ (p. 175). In de studie wordt niet vastgelegd wat het ‘vreemde’ is: dit hoeft niet alleen ‘etnisch vreemd’ te zijn, maar kan al naar gelang de context uitgelegd worden zoals men wil.
 
Van Donselaar arrangeert de argumentatie van zijn betoog heel sluw. Hij geeft geen onderbouwing van de gevonden ‘kenmerken’ bij de PVV, maar voert ze op als voldongen feiten. In de tweede helft van het betoog bouwt hij erop voort zonder zijn methodiek voldoende aan te geven, de lezer heeft immers op dit punt al lezende de conclusies aanvaardt. Van Donselaar’s ‘analyse’ is een voorbeeld van petitio principii: het veronderstelt datgene dat door het betoog moet worden aangetoond. En is dus een cirkelredenering.
 
Van Donselaar laat met vooral dit laatste punt duidelijk blijken dat hij een politieke agenda hanteert en geen onafhankelijk onderzoeker is. Het siert hem dat hij nauwelijks pogingen doet om zijn bevooroordeeldheid te verbergen. Op tv beweert hij met grote stelligheid, dat de geseponeerde aanklachten tegen Wilders alsnog opgepakt moeten worden door het OM. Hij geneert zich dus ook niet om de rol van Openbaar Aanklager aan te nemen.
 
Donselaar heeft extreem-linkse vrienden, hanteert een extreem-links referentiekader en legt de scheiding der machten naast zich neer, want speelt voor politie (benoemen en daarmee opsporenvan extreem-rechts), openbaar aanklager (seponerenvan de aanklachten moet ongedaan worden gemaakt) en rechter (de jurisprudentie is klaargezet in zijn oordeel over de PVV).
 
Ook in kleine dingen komt naar voren dat Van Donselaar zijn mening over de PVV al gevormd had voor het schrijven van het rapport. Dit blijkt uit de woordkeuze.
Al in het begin van het betoog beweert hij diverse aspecten van radicalisme aangetroffen te hebben bij de PVV, waaronder ‘antivreemdelingenstandpunten’ (p. 168). Een neutrale onderzoeker zou hier hebben geformuleerd ‘standpunten inzake vreemdelingen’. Het gebruik van ‘anti-‘ suggereert dat Van Donselaar vijandig tegenover de PVV staat.
‘Hameren op het ‘gevaar van islamisering’ is een hoeksteen van de ideologie van Wilders en de van de PVV’ (p. 173)
Het gebruik van ‘hameren’ in plaats van ‘voortdurend benadrukken’ geeft aan dat er een negatieve bijbetekenis wordt aangebracht. Het plaatsen van gevaar van islamisering tussen aanhalingstekens is in dit soort teksten bedoeld om aan te geven dat er sprake is van een bijzondere verwijzing en niet van een echt bestaan gevaar. Tenslotte is gevaar van islamisering geen hoeksteen van een ideologie, maar een politiek actiepunt. De bewering is opzettelijk zo geschreven dat het woord ‘ideologie’ kan worden gebruikt (waar ‘politiek’ volstaan had om de boodschap over te brengen) om aan te geven dat dit punt bepalend is voor een denkwijze en niet gebaseerd is op gebeurtenissen in de werkelijkheid.
Als echte intellectueel vindt van Donselaar dat hij over inzichten beschikt om het volk te leiden naar een betere toekomst. Het volk is zelf te dom, te racistisch en te blank om zelf te weten wat goed is. Het volk bedriegen, zoals ook Plato zag als een onderdeel van het optredenvan de filosoof-heerser, is een toegestane concessie ten behoeve van het grotere doel. Oftewel het doel heiligt de middelen.
 
Het is beschamend dat een wetenschapper zich zo laat misbruiken voor politieke doeleinden. Van Donselaar is een typisch voorbeeld van intellectuelen die de wetenschap hebben verraden in ruil voor politieke activiteiten, zoals Julien Benda beschreef in 1927.
De regering betaalt een ‘wetenschapper’ om een ‘onafhankelijk’ rapport uit te brengen, waarna de rechter kan verwijzen naar de ‘wetenschappelijke’ bevindingen. Alleen de Goelag-archipel ontbreekt nog.